De Slag van Waterloo 18 juni 1815

De slag van Waterloo begon om 11h30 op 18 juni 1815. Wellington betrok defensieve stellingen en was vastbesloten die te behouden: ‘Ons plan is simpel: de Pruisen of de nacht zullen ons redden.’ Napoleon inspecteerde rustig zijn troepen onder de ogen van de Britten en gaf het sein om 11h30 tot de aanval; drie van zijn aanvallen liepen dood op het verdedigingsvuur van de Engelsen.

Niettemin waren de Engelsen in een zeer hachelijke positie geraakt toen, op het eind van de middag, het Pruisische leger dat was voortgedreven door Blucher – zijn bijnaam was ‘maarschalk Voorwaarts’ op het slagveld verscheen; de marscolonnes formeerden zich onmiddellijkvoor de aanval en bestormden de rechtervleugel en de achterhoede van de Fransen.

Eerst dacht Napoleon dat Grouchy was teruggekeerd, die ongeveer een derde van het Franse leger bij zich had, maar algauw bleek hoezeer hij zich had vergist. De aanval van Blucher draaide de rollen volledig om. De defensieve stellingen veranderden in een offensieve slagorde en de Fransen, die vreesden tussen de Engelsen en de Pruisen vermalen te worden, poogden massaal te ontvluchten. Aangezien Wellingtons troepen vrijwel uitgeput waren, zetten de Pruisen de achtervolging in. Gneisenau zei tot zijn troepen: ‘Wij hebben de vijand getoond hoe men overwint, nu zullen wij hem leren hoe men achtervolgt.’

De Franse artillerie werd bijna in haar geheel overmeesterd, evenals de koets en de persoonlijke bagage van Napoleon. Blucher en Wellington ontmoetten elkaar bij een boerderij, genaamd ‘Belle Alliance’. Veel gezegd werd er niet – beiden wisten dat zij op het randje van de afgrond hadden gebalanceerd en waren diep bewogen door de uiteindelijke zege. Die overwinning was definitief: de carrière van Napoleon was ten einde.

Napoleon werd verbannen naar St.-Helena, waar hij in 1821 zijn leven zou eindigen.

Een nieuw tijdperk van oorlogvoering had zijn hoogtepunt bereikt, maar was daarmee tevens aan zijn einde gekomen. De machthebbers van de Restauratie, beducht voor de uiteindelijke gevolgen van een volksoorlog, brachten voor de rest van de eeuw de oorlogvoering weer terug tot een aangelegenheid die in het kabinet van de koning werd geregeld, ofschoon de Industriële Revolutie onvoorziene krachten vrijmaakte. Metternich, en in zekere zin ook zijn opvolger Bismarck, hielden bijna tot het einde van de 19de eeuw alle deuren stevig gesloten voor de volksdemocratie.