De revolutionaire oorlogen

De revolutionaire oorlogen waren begonnen, het Franse revolutionaire leger was na Valmy in het offensief gegaan en had Landau, Speyer, Mainz en Frankfurt-am-Main veroverd. In de Oostenrijkse Nederlanden versloeg generaal Dumouriez op 6 november 1792 een Oostenrijks korps; het was de eerste echte veldslag die voor de revolutionairen in een overwinning eindigde. Vanaf dat moment nam de nationale en van oorsprong kosmopolitische geest van de revolutie de karakteristieken aan van een imperialistische expansie, waarbij men bezette gebieden begon te annexeren.   Dit was voor Engeland het sein om zich aan te sluiten bij de coalitie tegen Frankrijk. In 1793 boekten de operaties van de geallieerde legers goede resultaten; de Oostenrijkse Nederlanden en de steden langs de Rijn werden heroverd. Generaal Dumouriez leed een ernstige nederlaag tegen de Oostenrijkers, waarna zijn leger hem in de steek liet en hij net als Lafayette bescherming moest zoeken bij de vijand, samen met 800 van zijn soldaten.

De bloedige slag van Fleurus, bij Charleroi, besliste de revolutieoorlog in het voordeel van Frankrijk. De Oostenrijkers trokken zich terug, nagezeten door de Fransen die eind 1794 opnieuw de hele linker Rijnoever in bezit hadden; ook de Republiek werd veroverd en in het zuiden versloegen de Fransen de Spanjaarden bij San Sebastian. Na de Vrede van Basel, ondertekend door Pruisen en Spanje, zetten Engeland en Oostenrijk de oorlog alleen voort. Toen Oostenrijk in 1797 terugtrad bij de Vrede van Campo Formio, was de coalitieoorlog tegen Frankrijk ten einde.

Intussen hadden zich in het leger grote veranderingen voltrokken. Een van de opmerkelijkste vernieuwingen was de levée en masse. Omdat men bleef kampen met een tekort aan manschappen, besloot Robespierre op 20 februari 1793 een nationale dienstplicht in te voeren op basis van loting: de levée en masse deed hiermee zijn intrede. Alle mannelijke burgers tussen 18 en 40 jaar konden nu voor militaire dienst worden opgeroepen; 200 000 man waren nodig voor de vrijwilligers bataljons, 300 000 voor de linieregimenten.

De bevolking was geschokt. De boeren in de westelijke provincies reageerden met een contrarevolutionaire opstand – een republiek die hen, nog gemakkelijker dan de vroegere monarchie, dwong tot militaire dienst, beschouwden ze als een doodsvijand. De gehele Vendée was in oproer, evenals Bretagne en de moerasstreken van Poitou. De steden Lyon, Marseille, Bordeaux, Toulouse, Nîmes, Grenoble, Limoges en Toulon rebelleerden tegen Parijs.

De burgeroorlog brak los en de jacobijnse dictatuur, gesteund door de sans-culottes, richtte pretoriaanse gardes op die de opstanden moesten neerslaan, maar het kostte geruime tijd en nog veel meer slachtoffers voor ze hierin slaagden. Ook in andere delen van Frankrijk waar geen rebellie uitbrak, verlieten de dienstplichtige mannen hun dorp en hielden ‘zich schuil in de wouden. Van de benodigde 300 000 man werden er 180 000 gerekruteerd; de meeste rekruten waren afkomstig uit de oostelijke provincies.

De levée en masse bleef bij een slogan, die op dat moment niet te verwezenlijken was; in plaats van een decreet dat een nationale dienstplicht waarborgde voor alle strijdbare mannen werd het een middel om snel over reserves te kunnen beschikken voor de troepen. Het beginsel sloot niet aan bij patriottische gevoelens, maar moest worden afgedwongen door met de guillotine te dreigen. Uiteindelijk, in 1794, wist men een totaal van 1200 000 mannen te verzamelen, inclusief de arbeidskrachten voor de wapenfabrieken.

Een dergelijk massaal leger zou een gevaarlijk instrument worden voor degene die ervan gebruik wist te maken. En het bracht de maatschappij weer een stap dichter bij de radicalisering van de oorlogvoering. Na de dood van Robespierre werd de levée en masse in Frankrijk anders geregeld; in 1798 werd afgekondigd dat elke Fransman tussen 20 en 25 dienstplichtig was, waarbij de jongeren met voorrang zouden worden opgeroepen.

Voorwaarde was dat het land in oorlog verkeerde. In maart 1800 bracht consul Bonaparte een nieuwe wijziging aan door het remplacantenstelsel in te voeren. Een opgeroepene die niet in dienst wilde, moest 2400 frank betalen en voor een vervanger zorgen die in zijn plaats zou dienen. Het Franse revolutionaire leger bestond al met al uit zeer uiteenlopende troepen. Ten eerste waren er ongeveer 100 000 man die uit het voormalige koninklijk leger afkomstig waren, soldaten en officieren die vanaf 1792 naar hun onderdelen terugkeerden; verder had men de vrijwilligers van 1791 en 1792, en vanaf 1793 de lotelingen. De troepen die de eerste invasie afsloegen behoorden grotendeels tot de eerste categorie.