Nieuwe organisatiestructuur van het Franse leger

Het oude Franse leger, ingesteld op lineaire ‘tactieken, was een vrij star geheel geweest. Nu moest het leger worden opgebouwd uit afzonderlijke formaties, elk bestaande uit infanterie, cavalerie en artillerie, die zowel onafhankelijk van elkaar als gezamenlijk konden opereren. Het hoofddoel was verbetering van de mobiliteit en van de samenwerking tussen de drie wapen soorten. Dit concept was niet nieuw; het werd al toegepast door de Romeinen. Prins Moritz van Saksen had ermee geëxperimenteerd en diverse schrijvers hadden het idee geopperd van een indeling in divisies om de mobiliteit van het leger te verhogen.

De verwezenlijking kwam echter pas in de Franse revolutie oorlogen. De halve brigades waren de eerste aanzet geweest, hoewel Napoleon ze weer verving door regimenten. De halve brigade werd in 1793 ingevoerd door Carnot  zij bestond uit een liniebataljon en twee bataljons vrijwilligers. Begin 1794 bezat het revolutionaire leger 250 halve brigades, waaronder 40 stuks lichte infanterie die optraden als tirailleurs. De infanterie had nog dezelfde wapens als onder het ancien régime en het vuurtempo lag op twee rondes per minuut.

De cavalerie behield de oude formaties 29 regimenten zware cavalerie, 20 regimenten dragonders, 23 regimenten chasseurs en 11 regimenten huzaren – in totaal ca. 500 eskadrons van elk 140 man sterk. De artillerie was ingedeeld in compagnieën en toegevoegd aan de infanterie; alleen de zware artillerie bleef een zelfstandige eenheid.

Carnot voerde de divisie in, bestaande uit vier halve brigades. Elke brigade stond onder commando van een generaal en kon als geheel of per halve brigade, afhankelijk van de situatie, zelfstandig opereren. Het doorvoeren van de indeling in divisies kostte enige tijd, maar uiteindelijk omvatte elke divisie infanterie, cavalerie en artillerie. Napoleon liet zijn divisies los van elkaar opereren, totdat het moment aanbrak waarop hij ze hergroepeerde voor de beslissende nederlaag. Ook combineerde hij enkele divisies tot onafhankelijk opererende legerkorpsen.

Deze overgang vroeg eveneens tijd, welke Napoleon vond tijdens de voorbereiding op de invasie van Engeland; hij liet de legerkorpsen toen veldoperaties uitvoeren tot het systeem werkte. Elk legerkorps bezat drie of vier cavalerieregimenten van telkens vier eskadrons. Naast de lichte artillerie beschikten de legerkorpsen ook over twee zware batterijen van elk acht stukken en eenheden genie, sappeurs en een treinbataljon.

De cavalerie eenheden die niet bij een brigade of divisie waren gedetacheerd, behielden hun eigen organisatievorm. De cavalerie was nog altijd een belangrijk tactisch wapen voor verkenning en achtervolging, en voor een snelle doorbraak tijdens de slag. Dragonders en kurassiers vormden samen subdivisies, die versterkt werden met vier lichte stukken. De sterkte van een subdivisie bedroeg 2500 ruiters.

Het hoofdkwartier van het door de conscriptie ontstane leger verkeerde aaanvankelijk in een staat van verwarring, waarin alleen Carnot in staat was orde te scheppen. Dit gold ook voor de commandostructuur van de afzonderlijke legers. Bij zulke omvangrijke legers kon een commandant zich niet inlaten met elk detail, zoals bijvoorbeeld in het leger van Frederik de Grote gebruikelijk was geweest; hij moest taken delegeren aan op een bepaald gebied gespecialiseerde officieren. Zo ontstond een rationeel opgezette generale staf, onderverdeeld in specifieke departementen.

Tot zijn belangrijkste taken behoorde het leiden van de legeroperaties, zorgen voor kwartieren tijdens de opmars, beveiliging enz. De staf zorgde tevens voor het verkrijgen en evalueren van militaire inlichtingen, voor het transport en de aanvoer van wapens, materialen en voedsel, alsmede voor de organisatie van genie werkzaamheden bij belegeringen en de aanleg van versterkingen.

Elke sectie maakte een eindverslag van zijn werkzaamheden voor de legercommandant, die dan samen met zijn chef-staf een basisplan ontwierp voor de komende operaties. In de Italiaanse campagne van 1796-1797 had Napoleon een staf bestaande uit 5 persoonlijke adjudanten, 26 generale stafofficieren met inbegrip van hun adjudanten, 3 militaire administrateurs en een commissionair die de civiele zaken behartigde. De staf van een legerkorps telde tussen de 10 en 18 officieren.

Nieuwe tactieken deden hun intrede. De inzet van tirailleurs kwam al ter sprake, maar effectief waren zij alleen in combinatie met grotere formaties. Bij de lineaire tactieken bestond altijd het risico dat de linie, drie of vier gelederen diep, zou worden doorbroken.