Les sans culottes van de revolutie oorlog

De kern van het leger vormde de artillerie, van oudsher geleid door bourgeois-officieren; zij waren fervente aanhangers van de revolutie en vormden samen met de cavalerie-eenheden, die in 1792 waren opgericht, de elite van het leger. Vanaf het voorjaar van 1793 vochten zij in vijf verschillende operatiegebieden: aan de noordgrens, in de Ardennen, langs de Moezel en de Rijn, in de Alpen – waar ze tegen Oostenrijkers en Sardiniërs vochten -, en in de westelijke en oostelijke Pyreneeën. De totale troepenmacht omvatte elf legers van wisselende omvang, in totaal ca. 800 000 man waarvan 600 000 gevechtstroepen. Daarbij moet nog worden opgeteld de 150 000 man, die werden ingezet om de opstand in de Vendée neer te slaan.

Aanvankelijk verkeerde het leger intern in erbarmelijke staat. De vrijwilligers van 1791 waren vol enthousiasme; naarmate hun geestdrift zonk werden ze als gevechtseenheid minder betrouwbaar. Niet de idealen, maar het vooruitzicht op buit werd de voornaamste drijfveer; geconfronteerd met de vijand stoven ze na enkele salvo’s naar alle kanten uiteen. Toch ontvingen deze troepen meer soldij dan de oudere soldaten, wat natuurlijk wrijving gaf. De diensttijd van de vrijwilligers was beperkt tot twaalf maanden, en er waren bataljons met 120 man en compagnies van slechts negen man.

In 1793 dankte Frankrijk de redding niet aan zijn leger, maar veeleer aan de besluiteloosheid en het gebrek aan coördinatie bij zijn vijanden. Veel soldaten liepen er haveloos bij, vaak zonder schoeisel; overjassen werden hoogst zelden verstrekt:’ . . .hele bataljons bezaten zelfs geen broek, alleen maar een met spelden dichtgemaakte jas; toen het 7de Parijse Bataljon langs marcheerde in deze conditie, merkte Danton op: “Dat zijn pas echte sans culottes!” . . . ,’ aldus de klacht van een vrouwelijke afgevaardigde in de Nationale Conventie. De nieuwe minister van Oorlog, de radicaal Bouchotte, verklaarde dat de traditionele militaire hiërarchie nooit meer mocht terugkeren. Hij wantrouwde het officierskorps en probeerde de achterdocht van de manschappen jegens hun officieren aan te wakkeren. De opzet was niet om de bourgeois-rekruten om te vormen tot soldaten, maar om van alle soldaten militante sans-culottes te maken.

De Conventie stelde commissarissen aan die de officieren vergezelden om hen in het oog te houden. Het kwam geregeld voor dat een straf, opgelegd door de commandant wegens een overtreding tegen de krijgstucht, door de commissaris onder druk van de manschappen werd geannuleerd. Onbetrouwbaar geachte officieren werden bij de geringste aanleiding gearresteerd. Commissaris Biliaud, die de noordelijke legers moest controleren, arresteerde op één dag zes generaals; zijn collega Ronsin nam vier generaals en 17 stafofficieren in hechtenis.

Bijna niemand was bereid onder deze omstandigheden een commando op zich te nemen. Op het hoogste niveau heersten dezelfde toestanden. De benoeming van een generaal was een politieke aangelegenheid; een kapitein van de dragonders werd commandant van het Rijnleger. De goud smidsknecht Rossignol werd benoemd tot divisiecommandant, nadat hij zijn voorganger generaal Biron tot de guillotine had laten veroordelen. De pamfletschrijver Ronsin klom in vier dagen op van kapitein tot generaal hij was een vriend van Bouchotte.

Anderzijds werd de jonge majoor bij de artillerie, Napoleon Bonaparte aan wie de verovering van Toulon grotendeels te danken was, bevorderd tot brigadegeneraal. De douane officier Henriot, in 1793 commandant van de Nationale Garde van Parijs, was een beruchte dronkaard. In 1794 maakte hij zelf een eind aan zijn carrière door stomdronken van zijn paard te vallen. Elke nieuwe rekruut verlangde terstond promotie; iedereen wilde bevelen, niemand dacht aan gehoorzamen. De Conventie kwam tot de onaangename ontdekking dat het leger meer dan 20 000 officieren telde.