Introductie van de Colonne d’attaque

De chevalier De Folard, die zoals gezegd ook Frederik de Grote beïnvloedde, was een van de eersten die zich afvroeg of een marscolonne niet als offensieve formatie bruikbaar was, in plaats van zich tot een slaglinie te formeren. Wanneer een colonne dáttaque van 760 man in een formatie van 32 man diep zou aanvallen, moest hij door elke linie formatie heen kunnen breken en daarna de flanken kunnen oprollen. In het Franse revolutionaire leger werd de colonne tactiek echter uit nood geboren. De grote hoeveelheden burger-soldaten konden niet snel genoeg worden getraind voor het toepassen van de linie tactieken en daarom vielen zij en masse aan, of in de latere colonne formatie.

Deze nieuwe tactiek werd voor het eerst toegepast in de slag bij Jemappes, toen generaal Dumouriez de Oostenrijkse versterkingen bestormde, hoewel dit eerder een horde infanteristen dan een gedisciplineerde colonne betrof. In 1793 traden echter al merkbare verbeteringen op bij de operaties in de Oostenrijkse Nederlanden, aan de Moezel en de Rijn. Daar was het terrein gunstiger voor de colonnetactieken van de Fransen, die verbaasd waren over hun snelheid en penetratievermogen.

De tirailleurs werden vooruitgezonden om de vijand in verwarring te brengen, tot de aanval van de colonne kwam, ondersteund door artillerievuur en door de cavalerie. In beginsel was de colonne een formatie van achter elkaar geplaatste infanterie eenheden van elk 45 m breed en 10 m diep, met tussenruimten van telkens 45 m. Uiteraard waren er talloze variaties te bedenken op deze basisvorm, die men kon afstemmen op de terreingesteldheid; het traditionele, vlakke slagveld verloor hierdoor aan betekenis. De colonne was sneller en beweeglijker dan de vroegere infanterieformaties en kon worden aangepast aan de situatie.

De oude vrees voor onbeschermde ruimten tussen de formaties was verdwenen, want dank zij de verhoogde mobiliteit kon men ze sluiten of beschermen met tirailleurs of cavalerie. Bovendien kon de colonne op commando dadelijk van richting veranderen, wat vroeger alleen mogelijk was geweest door toepassing van de schuine slagorde. Tijdens de slag ging de eerste colonne tot de aanval over, daar bij ze zich zo nodig kon verspreiden en weer aaneensluiten, terwijl de tweede colonne achterbleef in colonneformatie totdat deze het sein kreeg om tot actie over te gaan. Bij een vijandelijke aanval behield de colonne een gesloten, tactische formatie of stelde zichop in een carré om de aanval met geconcentreerd vuur af te slaan.

De artillerie ontwikkelde zich van een ondersteunend wapen tot een volwaardig en zeer respectabel legeronderdeel. Het geschut werd sterk verbeterd: de kanonnen en houwitsers werden lichter en mobieler, de loop werd korter en de lading werd gereduceerd tot een derde van het gewicht van het projectiel; de affuit kreeg ijzeren assen. Favoriet waren de 8- en 12-ponders en als belegeringsgeschut de 16- en 24-ponders. Geschoten werd met massieve metalen kogels en met kartetsen. De genie, die aanvankelijk in het Franse leger één geheel vormde met de artillerie, werd nu een afzonderlijk korps, onderverdeeld in compagnieën mineurs en sappeurs.

Ondanks de grote verbeteringen bleef het ballistische bereik beperkt. Met de ontwikkeling van de colonnetactieken werd de divisie-artillerie opgesplitst en gedetacheerd bij de vleugels van de tweede colonne, die zich binnen schootsafstand van de vijand opstelde. Naarmate de aanval vooruitschoof trok ook de artillerie op, om te proberen de vijand van dichtbij met intens kartetsvuur te bestoken. De artillerie vuurde gelijktijdig om het effect van de aanval zo verpletterend mogelijk te maken.

De nieuwe infanterie- en artillerie tactieken hadden natuurlijk ook gevolgen voor de cavalerie; als de ruiters niet oppasten kwamen zij in de vuurlijn van hun eigen tirailleurs, terwijl een ordelijke en goed versterkte vijandelijke stelling nauwelijks kansen bood voor een cavaleriecharge. De enige kans op succes bood een omsingeling van de vijand, terwijl die tegelijk werd bestookt met zwaar artillerievuur. Individuele aanvallen van kleine formaties waren zinloos; alleen een massale inzet van de cavaIerie kon effect sorteren.

In de tijd van de lineaire tactieken vormde de cavalerie een integraal onderdeel van de slagorde, onmisbaar als beschermer van de kwetsbare flanken van de infanterie; met de komst van de colonne tactieken en de over veel grotere gebieden verspreide operaties kreeg de cavalerie nieuwe taken. De eenheden werden flexibeler en beter ingesteld op plotselinge veranderingen in de tactische situatie. Ze konden directe steun verlenen aan de infanterie colonnes ofwel zelfstandig opereren.