Hervorming van het Franse leger

Het officierskorps in het Franse leger was echter nog steeds het domein van de adel en de verkoop van posten was min of meer usance geworden – het was voor de kroon een onmisbare bron van inkomsten. Om die reden waren zelfs meer officieren aangesteld dan nodig.   Vergeleken bij het omvangrijkere Pruisische leger van Frederik de Grote, dat 80 generaals telde, of het Oostenrijkse leger met 350 generaals, bezat het Franse leger aan de vooravond van de revolutie zeer veel generaals: 1171 stuks. Lage edelen werden geweerd omdat zij niet rijk genoeg waren voor de aankoop van een officierspost; zij dienden hoogstens in de lagere rangen, en kozen later veelal de zijde van de revolutionairen.

Het onderofficierskorps daarentegen bestond uit bekwame én ervaren soldaten, die deels hadden meegevochten in de Amerikaanse Revolutie. Zij waren belast met de dagelijkse militaire werkzaamheden en hoefden daarvoor geen beloning of erkenning te verwachten. Het slechte voorbeeld van de officieren kweekte bij de onderofficieren weinig respect. Hun invloed op de manschappen was oneindig veel groter dan die van de officieren.

De gewone soldaat was uiteraard het slechtst af – zijn soldij was miniem en bovendien had de minister van Oorlog, graaf St. Germain, lijfstraffen ingevoerd. Vanwege hun grieven waren zowel onderofficieren als manschappen uiterst ontvankelijk voor de revolutionaire ideeën. De ontevredenheid werd versterkt door onenigheid tussen de Franse generaals onderling en inbreuken op het beginsel van subordinatie.

Het kwam voor dat kolonels het bevel van hun generaal negeerden – en dit werkte uiteraard door in de lagere rangen. Het resultaat van dit alles was dat bij het uitbreken van de revolutie de koning niet meer onvoorwaardelijk kon vertrouwen op zijn leger. Over het algemeen stelde het leger zich onverschillig op of het koos openlijk de zijde van de opstandelingen. De soldaten sloten zich massaal aan bij de nieuwe burgergardes; alleen al in Parijs liepen 6000 soldaten over naar de revolutionairen.

Het oude Franse leger viel bij de revolutie voor een groot deel uiteen. Vele adellijke officieren vluchtten na de bestorming van de Bastille naar het buitenland, waar zij contrarevolutionaire activiteiten ontplooiden. Het was de taak van de Nationale Conventie om het leger te reorganiseren. Eerst trachtte men dit te doen op basis van het oude leger, maar tot 1792 twijfelde men aan het nut van een staande legermacht; men wijdde zijn aandacht liever aan de Nationale Gardes, die door de Nationale Assemblée waren opgericht. De verkoop van posten werd afgeschaft – bevordering zou geschieden op basis van bekwaamheid – en de soldij voor onderofficieren en gardisten werd verhoogd. Deze maatregelen konden echter niet verhinderen dat ook in het leger de politiek hoogtij vierde. In elk regiment werd agitatie gevoerd door radicalen van diverse pluimage, die hun eigen revolutionaire comités

oprichtten. De leden van de comités bekeken de orders die werden uitgedeeld, pleegden overleg en besloten of zij ze al dan niet zouden uitvoeren; officieren die dwang probeerden uit te oefenen riskeerden hun leven.