De Franse zware cavalerie

In 1805 bevestigde de vernederende nederlaag van Oostenrijk bij Austerlitz door de omhooggevallen Franse keizer, en het daaropvolgende Verdrag van Pressburg dat het eens almachtige Oostenrijkse leger zeer noodzakelijk een inspectie diende te ondergaan. De voor de hand liggende keuze voor dit karwei was de jongere broer van keizer Francis, aartshertog Charles, die bekend was als beste generaal van het rijk.

De Franse zware cavalerie was voorzien met een dubbel kuras Uiteindelijk zou de paranoia van Francis over zijn broer samen met het traditionele Habsburgse conservatisme leiden tot een vertraging in het hervormingsproces. Tussen 1806 en 1808 slingerde het Habsburgse keizerrijk tussen de oproepen om zich te voegen bij een oorlog tegen Frankrijk en de vredespartij, geleid door Charles, die vond dat er meer tijd nodig was om de hervormingen binnen het leger door te voeren. Tegen het einde van 1808 won de oorlogspartij de overhand en begon het land met de voorbereidingen van de oorlog. De cavalerie van Charles bleef grotendeels onaangetast door de hervormingen.

De pogingen om het aantal of de capaciteit van het deel te paard te vergroten, werd beperkt vanwege economische redenen waardoor ze over het algemeen in de minderheid waren en overtroffen werden. De pogingen van de cavalerie werden nog verder ondermijnd door de al lang bestaande gewoonte om het in kleine eenheden door het hele leger heen te verdelen. Dit liet alleen de kurassiers over als een eenheid voor schokdoeleinden.

Deze acht regimenten van zware cavalerie met borstplaten zouden te klein blijken om een beslissende impact in een gevecht te veroorzaken. In feite, ondanks de hervormingen bleven de Oostenrijkers in een kuras vechten, dat in de 18de eeuw was geïntroduceerd.

Bij Eggmuhl werd de extra mobiliteit die werd verkregen door het niet dragen van een rugplaat meer dan ongedaan gemaakt door de kwetsbaarheid. Marbot beschreef het oneven gevecht tussen Franse en Oostenrijkse kurassiers tijdens deze veldslag: Moed, standvastigheid en sterkte werden goed geëvenaard, maar de verdedigende wapens waren niet gelijk daar het Oostenrijkse kuras alleen de voorkant beschermde en geen bescherming bood aan de rug in een menigte.

Op deze wijze dienden de Franse cavaleristen, die een dubbel kuras droegen en dus niet bang waren om in de rug gewond te raken, alleen te denken aan het uitvallen. Zij konden de nadruk leggen op het aanvallen op de rug van de vijand en slachtten vele van hen met maar een klein verlies aan eigen zijde. Deze ongelijke strijd duurde een aantal minuten.

Uiteindelijk

zagen de Oostenrijkers zich genoodzaakt, met immense verliezen aan doden en gewonden, en ondanks hun dapperheid, het veld te verlaten. Toen zij zich omgedraaid hadden, begrepen ze nog beter wat voor een nadeel het was om geen kuras op de rug te dragen net als op de borst. De veldslag werd een slachtpartij terwijl onze kurassiers de vijand achtervolgde, en over een afstand van ongeveer 2 kilometer was de grond bezaaid met dode en gewonde kurassiers.

Dit gevecht rekende af met de vraag waarover lang was gedebatteerd, over de noodzaak van dubbele kurassen, daar de verhouding van gedode en gewonde Oostenrijkers respectievelijk acht en dertien per Fransman was”.